Les Aardrijkskunde, 'bewegende continenten'.

Deze les leert kinderen verbanden te leggen tussen de ligging van gebergten, vulkanen en aardbevingen en de bewegende continenten.

Inleiding:

Je begint met vertellen/ voorlezen van het verhaal van Pompeļ.

Verhaal Pompeļ

Allen keken omhoog, door de opening in het zeil. Met ontzetting zagen zij uit de top van de Vesuvius vuur opstijgen, gloeiend vuur, dat telkens van kleur veranderende: helder oranje, verbijsterend fel geel, vermiljoen en diep donkerrood! Boven de vuurzuil verhief zich een dikke, zware, zwarte rook.

De massa was met stomheid geslagen. Opnieuw viel een doffe, akelige stilte over het amfitheater. Nu voelden allen de verlammende, drukke warmte. Plotseling begon de leeuw te brullen, somber en onheilspellend. Een huivering liep door de mensenmenigte, die daar dicht opeengepakt stond.

De vulkaan rommelde, de grond schudde!

Een vreselijk gegil verhief zich onder de vrouwen. De mannen verbleekten, maar gaven geen geluid. De muren van het amfitheater wankelden; in de verte klonk het gekraak van instortende daken. De dreigende rookwolk breidde zich langzaam uit en dreef in de richting van de stad, gruwelijk, spookachtig. Het werd duister. Voordat iemand er op bedacht was, stortte er een regen van as, vermengd met grote brokken gloeiend steen, naar beneden. Over de wijngaarden, over de platte daken der huizen, over de straten en over het grote amfitheater stortte de as neer. In de verte, in zee, zag men de gloeiende steenbrokken onder luid gesis neerploffen.

De massa stuwde zich voort naar de uitgangen. Het was een verschrikkelijk gedrang, men verdrukte, verstikte elkander in zijn pogingen om de uitgangen te bereiken. Wie viel was verloren. Kermend, scheldend, huilend, stormden de Pompejanen naar buiten. Het werd steeds donkerder. Waarheen moesten de vluchtelingen hun schreden richten?

Sommigen dachten aan en tweede aardbeving en renden naar huis om hun kostbaarste bezittingen te redden en daarna de stad uit te vluchten, het veld in, of naar zee. Anderen, bang voor de gevaarlijke asregen, die dichter en dichter viel, verscholen zich onder de daken der naastbij gelegen huizen en tempels.

Groter, zwaarder, donkerder werd de vreselijke wolk, die de Vesuvius uitstiet. Weldra zou een verschrikkelijke nacht de heerschappij van de dag vervangen!

Bij de poort stond een schildwacht. Het was een Romeins soldaat, die maar één dicht wist: dat hij bevel had geregen om daar te gaan staan tot hij afgelost zou worden. Dus bleef hij staan. De as regende op hem neer, om hem heen, gloeiende stenen schoten rakelings lang hem. Maar hij was Romeins soldaat en hij deed zijn plicht. Hij liep niet weg. Kalm, onbewogen bleef hij staan, terwijl de vluchtelingen voorbij stroomden. De Romeinse soldaat bewoog zich ook niet, toen de as hem tot de knieėn, tot de heupen, tot de borst reikte. Hij bleef staan totdat een van die vreselijke lava stenen hem trof. Hij sneuvelde bij het onverbiddelijk vervullen van de hem opgelegde taak.

De wolk, die het daglicht had oden wijken voor dreigende duisternis, had zich tot een vaste klomp samengepakt. Maar rondom de top van de Vesuvius werd het steeds lichter. In fantastische kleuren spoot het vuur uit de aarde omhoog, uitwaaierend over de onheilbrengende berg. De roodgloeiende stenen beukten op de arme stad neer in steeds groter aantal. De as stapelde zich op in de straten en op de daken, eerst tientallen centimeters, toen al meer dan een halve meter, en nog hield het niet op. De kokende regen veranderde alles in een dikke slijkmassa, en de zwaveldampen drongen overal doorheen. De ene zuil na de andere begaf het, allen de zwaarste hielden zich overeind.

Hier en daar was brand uitgebroken en het schijnsel van de spelende vlammen maakte het schouwspel nog beklemmender. Soms botsten twee groepen vluchtelingen in een nauwe straat op elkaar. Dan ging er een wanhopig geschreeuw op, er ontstond een worsteling om zich uit die kluwen van mensen te bevrijden. Velen kwamen zo om.

Opeens werd de hele stad door een felle gloed verlicht. Hoog en stralend rees een enorme vuurkolom uit de berg op, waarbij al het vorige in het niet zonk. De top was gespleten, met een ontzettende kracht uiteengescheurd. Heel de hemel was vlammend rood. Toen lekte drie dikke, vurige tongen langs de vulkaan omlaag. Brede stromen lava, gloeiend, donkerrood, gleden langs de bergwand! Ze vernielden alles, wat in hun weg kwam, en naderden traag de ongelukkige, veroordeelde stad. Met verpletterend geweld stroomde de lava voort. Een oorverdovend gedreun en gekraak overstemde het gejammer van de talloze ontredderde vluchtelingen.

 

Dit verhaal is echt gebeurd, maar wel heel lang geleden (ongeveer 75 jaar na Christus). Heel veel mensen zijn die dag verrast door de lava en doodgegaan, voordat ze konden vluchten. We weten dit, doordat archeologen laagje voor laagje het opgedroogde lava, dat steen geworden is, hebben weggehaald. De lichaam van die mensen waren allang vergaan, waardoor er allemaal gaten zaten op die plekken. Daar hebben ze gips ingegoten en alles eromheen weggehaald. Nu kun je als toerist door Pompeļ lopen en zie je de beelden van de mensen in de houding waarin ze door de lava werden verrast.

Dan stel je enkele vragen:

Kern:

Nu begin je te vertellen, gebruik hierbij eventueel beeldmateriaal om het aantrekkelijker te maken voor de kinderen. Wijs op een landkaart de plaatsen, waarover je verteld.

Diep in de aarde zit magma. Dat is een gloeiend hete pap van gesmolten gesteente. Door de kraterpijpen van een vulkaan komt het magma naar boven. Uit de vulkaankrater komen lava, rook, gloedwolken en as. Als lava afkoelt, wordt het een hard gesteente. Bekende vulkanen zijn de Vesuvius en de Etna in Italiė. Vulkanen die nooit meer werken, zijn dode vulkanen. Een vulkaan die rook en vuur uitspuwt, is een actieve vulkaan. Een vulkaan die een hele tijd rustig is, heet een slapende vulkaan.

Het binnenste van de aarde bestaat uit magma. De buitenste rand van de aarde is de aardkorst. Dat is een dunne korst van gestold gesteente.

De aarde kun je vergelijken met een appel. De schil is dan de aardkorst. Eigelijk is die maar heel dun, maar omdat de aarde heel groot is, is de aardkorst op sommige plaatsen wel 50 km dik.

Lang geleden zaten alle werelddelen aan elkaar vast. Samen vormden ze een groot continent: Pangea. Grote stukken aardkorst zijn langzaam uit elkaar gedreven. Bijvoorbeeld de continenten Europa en Amerika. Een groot stuk aardkorst heet een schol. Onder de schollen stroomt het magma langzaam. Midden in de Atlantische Oceaan duwt het magma twee schollen uit elkaar. In de aardkorst zit een barst waardoor het magma omhoog komt. Op de oceaanbodem ontstaan zo bergen en vulkaaneilanden.

Op sommige plaatsen botsen twee landschollen tegen elkaar. Daar ontstaat een hoog gebergte. Een oceaanschol (5 km dik) kan ook tegen een landschol (50 km dik) botsen. De oceaanschol wordt onder de landschol geduwd en smelt. Het gesmolten gesteente komt omhoog en er ontstaan vulkanen.

Als een stad wordt getroffen door een zware aardbeving begint de grond hevig te trillen. Huizen en gebouwen storten in. In een paar minuten veradert zo’n stad in een puinhoop.

Aardbevingen worden gemeten met een aardbevingsmeter. Richter gebruikte de cijfers 1 tot 9 om de kracht van aardbevingen te meten. Een aardbeving met een kracht van 9 is heel zwaar. Alles wordt verwoest, niets blijft overeind.

Afsluiting:

Wanneer alles duidelijk is uitgelegd en er geen vragen meer zijn, krijgt ieder kind een werkblad.

De kinderen gaan zelfstandig aan het werkblad werken.

Wanneer iedereen klaar is kijk je het gezamenlijk na (Antwoorden werkblad). Zo kun je eventuele onduidelijkheden alsnog verduidelijken.

 

Terug