Rekenactiviteiten:
- Er staan verschillende glazen op tafel met drankjes.
Laat de kinderen het volgende aanwijzen; - het glas is leeg - er zit een
klein beetje in -het glas is half vol - het glas is helemaal vol.
- Vraag aan de kinderen wat een thermometer is en vertel
een verhaaltje van een kind dat ziek was. Hij kreeg het heel warm, wat
gebeurt er met de temperatuur? Laat kinderen dit verwoorden. Maak hierna
samen met de kinderen een thermometer. Misschien kunt je ook de temperatuur
opnemen van de kinderen en dit laten zien op de kartonnen thermometer.
Hierbij kunnen de kinderen ook een grafiek maken.
Leg verschillende soorten en maten pleister op een tafel
in het midden van de kring. Stel vragen als:
- Wat is de grootste pleister?
- Welke pleisters zijn precies hetzelfde?
- (als ze in een rijtje liggen) wat is de eerste
pleister?
- Welke pleister ligt in het midden?
Maak een wond op de arm van een pop en laat deze zien.
Stel naar aanleiding hiervan vragen als: welke pleister kan hier op? Welke is te
groot/ te klein?
- Verzamel de pleisters in bijv. een broodtrommel. Je
hebt twee delen van de broodtrommel; de bodem en de deksel. Deze zijn beide
leeg. Terwijl de kinderen kijken stop je in beide delen enkele pleisters,
die één voor één in de deksel en bodem vallen. Bijvoorbeeld; in het ene
deel twee pleisters en in de andere drie. Dat doe je de broodtrommel dicht
en schudt ze flink, onder het uitspreken van een soort spreuk "Heitsie,
pleitsie, schudden maar…Nu zitten ze allemaal bij elkaar!"De ene
gedeelte is nu leeg (laat dit duidelijk aan de kinderen zien), en alle
pleisters zitten dus in het andere deel. Wie kan er raden hoeveel dit er
zijn.
- Je kunt de kinderen ook allerlei dingen laten ordenen,
zoals pillen en potjes. Hierbij tellen ze de aantallen.
Een ontdekhoek rondom 'de schoolarts' biedt ook veel
rekenmogelijkheden. Voorbeelden:
- Meten; meetlat op de muur. Alle kinderen schrijven hun
naam bij hun lengte.
- Vergelijken met elkaar. Begrippen lang en kort. Wie er
langer? Wie is het kleinst?
- Idem, met een weegschaal. Wegen; 15-20-25-30-35. Welk
cijfer zie je als jij op de weegschaal staat? Vergelijken. Begrippen zwaar
en licht.
- Ogentest kaart; brilletje met 1 dicht oog.
- Welk cijfer zie je? Maak kaarten d.m.v. stippen (door
kop van een spijker te stempelen)
Terug